Deze website is deel van www.bruggelokaal.be.

KLANKVORMING

Dit artikel geeft een samenvatting van de manier waarop klankkleur tot stand komt en door de speler kan worden beïnvloedt.

Inzicht in de klankvorming draagt bij tot het muzikaal benutten van de talrijke nuances van het instrument.

Elke instrument heeft zijn eigen karakter. Soms kan op het ene instrument wel, wat op het andere helemaal niet kan.

Elke speler heeft ook nog zijn eigen lichaamsbouw en eigen fysieke mogelijkheden. Wat voor de ene goed werkt is het daarom niet voor een ander.

Dit maakt dat zoiets als "dat ene goede plectrum", "dat ene goede soort snaren", "die ene goede aanslagwijze" niet bestaan. Naargelang het soort muziek, het verloop van een stuk, het beoogde effekt of de individuele voorkeur,  kunnen verschillende goede mogelijkheden worden aangewend.

KLANKKLEUR

De klankkleur is afhankelijk van de deeltonen

De toonhoogte of frequentie van een trillende snaar hangt af van de snaarspanning, de dichtheid, en de lengte. De toon klinkt hoger wanneer de snaarspanning toeneemt. De toon klinkt lager naarmate de snaar een grotere dichtheid heeft, alsook naarmate de snaar langer is.

Waneer de snaar over zijn volle lengte trilt dan klinkt de laagste toon of grondtoon. Wanneer men de snaar inkort door op een bepaalde plaats met de vinger er licht tegenaan te raken, dan veroorzaakt men op die plaats een knoop. Hierdoor verdeelt men de snaar en verhoogt men de trillingsfrequentie en de toonhoogte. De tonen die men hierbij hoort zijn de deeltonen.

Wanneer men een snaar aanslaat dan klinken gelijktijdig de verschillende deeltonen als boventonen mee met de grondtoon. Grondtoon en boventonen vormen samen een klank. De klankkleur van een instrument wordt bepaald door de sterkte waarmee de verschillende boventonen meeklinken. Uiteraard speelt de vorm en de bouw van een instrument hierin een hoofdrol. Voor de speler is dit een vast gegeven. Hij kan de klankkleur nog beïnvloeden door de manier waarop de klank wordt voortgebracht.

brugs mandoline- en gitaarensemble Testudinum - deeltonen

BOVENTONEN

Waardoor worden boventonen op snaren beïnvloed?

Hermann Helmholtz (1821-1894) onderzocht op wetenschappelijke wijze de eigenschappen van de klank. Hij stelde vast dat, los van de vorm en de resonantie van het instrument, de klankkleur van een aangeslagen snaar voor een groot deel beïnvloed wordt door:

  1. de aard van de aanslag (vinger, hamertje, plectrum);
  2. de plaats van de aanslag (in welke verhouding tot de lengte van de snaar);
  3. de eigenschappen van de snaar (densiteit, stijfheid, elasticiteit).

De  bouw van de mandoline en het feit dat de toon wordt voortgebracht door twee gelijkgestemde snaren zijn bepalend voor de eigen klankkleur van het instrument.  Verschillen in klankkleur en verschillen in het gamma van mogelijke klankkleurnuances hangen af van het soort snaren in samenhang met het soort instrument.

Bij de mandoline wordt het geluid voortgebracht door met een plectrum de snaar te doen trillen. Het materiaal, de vorm en de soepelheid van dit plectrum spelen een rol. Een scherp en hard plectrum geeft een andere klank dan een meer afgerond en soepel plectrum.

Tijdens het spel zelf  kan men verschillende klankkleuren oproepen door de plaats van de aanslag (midden, brug, kam) en door de hoek van het plectrum t.o.v. de snaar.

brugs mandline- en gitaarensemble Testudinum - spectrum boventonen

PLUKKEN - TOKKELEN - KLOPPEN

DE AARD VAN DE AANSLAG

Een snaar kan worden aangeslagen door:

  1. het plukken met de vinger: gitaar, harp, luit;
  2. het tokkelen met een plectrum: mandoline, banjo, gitaar, zither, klavecimbel;
  3. het kloppen met een hamertje: hakkebord, piano.

De sterkte van de boventonen groeit naarmate meer afwijkende trillingen bruusker worden veroorzaakt.

Hierin onderscheiden de verschillende aanslagwijzen zich van elkaar.

Bij de aanslag wordt de snaar vanuit rusttoestand over zijn volle lengte verplaatst alvorens hij wordt losgelaten. Afwijkende trillingen van de snaar komen  enkel tot stand naarmate, op de plaats van de aanslag, de snaar een minder of meer puntige hoek vormt de vinger of het plectrum.

Deze hoek is puntiger bij een scherp plectrum dan bij een vinger. Daardoor wekt een scherp plectrum een groter aantal heldere boventonen op dan een vinger of dan een sterk afgerond plectrum. Steeds blijft de grondtoon sterker dan om het even welke boventoon.

De aanslag met een hamertje, zoals bij de piano, gebeurt op één enkel punt en gebeurt nog plotser. Dit  veroorzaakt nog meer heldere boventonen dan de aanslag met een plectrum of met de vinger.

Hoe ronder het plectrum, hoe afgeronder de klank. Hoe scherper het plectrum, hoe scherper de klank. Het gebruik van verschillende plectra naargelang het karakter en de interpretatie van een muziekstuk behoort tot de mogelijkheden.

PLAATS

DE PLAATS VAN DE AANSLAG

Boventonen, waarvan een trillingsknooppunt samenvalt met de plaats van de aanslag, verzwakken of verdwijnen. Boventonen, waarvan een trillingsbuik samenvalt met de plaats van de aanslag, worden versterkt.

Algemeen betekent dit dat boventonen worden verzwakt of versterkt naargelang de plaats van de aanslag op de trillende snaarlengte. De klankkleur kan dus opmerkelijke verschillen vertonen bij een soms kleine verschuiving van het aanslagpunt.

Het aanwenden van klankkleurverschillen, door in het midden (normale) op de toets (sul tasto) of aan de brug (sul ponte) te spelen, is een middel om de muziek te structureren en boeiend te maken.

Bij een aanslag in het midden van de snaar, ter hoogte van het octaaf  verdwijnt de tweede boventoon (knoop) en komt de derde boventoon (buik) versterkt tevoorschijn. Op die plaats klinkt het instrument het zoetst. De reden is dat op die plaats de even boventonen worden verzwakt en de oneven boventonen worden versterkt.

Slaat men de snaar aan op 1/3,1/6 of 1/9 van zijn trillende lengte dan verdwijnen ook boventonen. De klankkleur is zacht maar minder zoet dan bij de aanslag in het midden. Wanneer men het aanslagpunt naar het snaareinde verplaatst klinken de hogere boventonen sterker door, ten nadele van de lagere boventonen. De klankkleur wordt scherp.

Wanneer men op dezelfde plaats t.o.v. het klankbord blijft aanslaan en telkens een hogere noot speelt door een fretje verder in te drukken, verkort men de lengte van de snaar. De plaats van de aanslag verdeelt de snaar telkens op een andere wijze. Hierdoor treden klankkleurverschillen op. Dit kan opvallend waarneembaar zijn tijdens het wisselen van positie of bij het gebruik van tonen op een open snaar tussen andere tonen in positie. Het muzikaal effect hiervan kan gewenst zijn omdat het zo bedoeld is. Het kan ook storend zijn en opgelost moeten worden door bijv. een aangepaste vingerzetting en/of een andere plaats van aanslag.

SNAAR

DE EIGENSCHAPPEN VAN DE SNAAR

Dit punt houdt verband met het materiaal en de dikte van de snaar. Stijve snaren geven weinig boventonen. Ze zijn niet in staat afwijkende deeltrillingen op te wekken over kleinere snaarfragmenten. Hogere boventonen worden gemakkelijker opgewekt met dunne snaren dan met dikke. Zeer hoge boventonen kan men verkrijgen met uiterst dunne metaaldraad, aangeslagen met een metalen plectrum. Hierbij hoort men de afzonderlijke boventonen in de toonklank zelf meeklinken (denk aan de klank van de Indische sitar). Ook het specifieke geluid van de zither is aan deze heldere boventonen te danken.

De talrijke hoge  boventonen die in de boventoonreeks zeer dicht bij elkaar liggen veroorzaken een specifieke dissonantie en een ietwat sprankelend geluid. Vanaf de achtste boventoon liggen ze op minder dan een hele toon van elkaar. Vanaf de vijftiende boventoon liggen ze op minder dan een halve toon van elkaar. Helmholtz slaagde erin om met een snaar van 700 cm lang  uit het fijnste staaldraad een zestiende boventoon ten gehore te brengen.

Darmsnaren zijn veel lichter dan metalen snaren met dezelfde dikte en ze vormen daardoor minder hogere boventonen. Het verschil in muzikale eigenschappen van darmsnaren wordt verkaard door de geringe elasticiteit van darmsnaren die in het bijzonder de hogere boventonen sneller afdempt. Tonen op darmsnaren zijn bijgevolg minder helder dan op metalen snaren. Een gelijkaardig verschil bestaat tussen metalen snaren en nylonsnaren.

Bij metalen snaren op de mandoline dient gelet op het effect in klankkleur wanneer tijdens het spelen van snaar wordt gewisseld. Bij een goede besnaring is het klankkleurverloop homogeen. Ook de eigenschappen van het instrument spelen hierbij een rol.  Het kan dus nodig zijn verschillende snaarmerken uit te proberen om een zo goed mogelijk resultaat te berkomen. Soms is het nodig te besnaren met snaren van verschillende merken om sommige moeilijkheden op te lossen.

bron

Deze tekst van Marc Troffaes verscheen in afleveringen van "De Mandolinecourant" in 1999.

"De Mandolinecourant" was het tijdschrift van de "Vlaamse Mandolinefederatie" (VMF).

De tekst put inspiratie uit "'Die Lehre von den Tonempfindungen" (1877) van "Hermann Helmholtz" (1821-1894).